Waarom is biolandbouw goed voor het milieu?

De biologische landbouw wil zo milieuvriendelijk mogelijk werken. Daarom dragen bioboeren goed zorg voor de bodem, bewaken ze de biodiversiteit op en rond hun akkers en gebruiken ze enkel natuurlijke bestrijdingsmiddelen. Kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen zijn niet toegelaten.

De biosector probeert haar impact op het milieu zo klein mogelijk te houden en met respect voor de natuur aan landbouw te doen. Om dat te bereiken, denkt de bioboer zo veel mogelijk mee met de natuur en maakt hij gebruik van de kracht van het ecosysteem en de biodiversiteit op en rond zijn boerderij. Hij werkt dus preventief aan een veerkrachtig geheel op en rond zijn bedrijf.

En dat loont. Uit onderzoek blijkt dat dankzij biologische landbouw het bodemleven veel gezonder is, de bodem als systeem veel veerkrachtiger is, het grondwater minder vervuild wordt door bestrijdingsmiddelen en biologische praktijken algemeen een mindere belasting veroorzaken op het milieu.

Veerkrachtiger bodemleven

Een onzichtbare maar erg belangrijke partner voor de bioboer is het bodemleven. In een kubieke meter aarde bevinden zich triljoenen beestjes, samen goed voor zo’n 1,5 kg leven per vierkante meter akker. Wormen, luizen, spinnen, springstaarten, bacteriën en schimmels… Deze diertjes breken plantenresten af, maken er humus van en verspreiden deze vruchtbaar-makende substantie doorheen de bodem. Humus houdt water en voedingsstoffen vast, waardoor gewassen beter kunnen groeien.

Deze samenwerking tussen bioboer en bodembiodiversiteit staat centraal in de biologische landbouw. Om het bodemleven in stand te houden voedt de bioboer de bodem met organisch materiaal zoals dierlijke mest of compost en vermijdt hij ingrijpende bodembewerkingen. De laatste jaren kiezen bioboeren er steeds meer voor om minder te ploegen én minder diep te ploegen zodat het bodemleven zo weinig mogelijk wordt verstoord.

Bio Mijn Natuur Humus Bodemleven © Lisa Develtere op biobedrijf Humus

Bio heeft meer grond nodig om hoge opbrengsten te halen. Dat is toch niet goed voor het milieu?!

De gangbare landbouw dankt zijn hoge opbrengsten vooral aan kunstmeststoffen. De productie daarvan kost niet alleen heel wat energie, ze worden vervaardigd op basis van eindige, fossiele brandstoffen. Ze vormen een grote belasting voor het milieu én het klimaat.

Biolandbouw haalt hoge opbrengsten zonder dat het milieu of het klimaat daar slachtoffer van wordt. Staar je trouwens niet blind op hoge opbrengsten. Ook hoe we omgaan met voedsel is belangrijk: 30 tot 40% van het geproduceerde voedsel wordt vandaag weggegooid.


Geen klimaatonvriendelijke kunstmest

Kunstmest is niet toegelaten: logisch want kunstmest voedt het bodemleven niet, maar verstoort het. Langdurige verstoring door kunstmest en de combinatie met chemische pesticiden zal op de lange duur de veerkracht van de bodem ondermijnen. Terwijl net een gezonde bodem veel plagen kan helpen vermijden of inperken.

Kunstmest is overigens sowieso geen milieu- of klimaatvriendelijk product, want het wordt gemaakt van fossiele brandstoffen en vereist zeer veel energie. Kunstmest veroorzaakt een grote uitstoot van broeikasgassen. Onderzoek naar de impact van kunstmest staat nog in de kinderschoenen. In maart 2017 bracht een onderzoek aan het licht dat twee derde van de totale uitstoot van de tarweteelt toe te schrijven is aan de gebruikte kunstmest. Anders gezegd: telen zonder kunstmest, zoals bio dat doet, verlaagt aanzienlijk de uitstoot.

Daarnaast komt het teveel aan kunstmest terecht in onze waterlopen en verstoort het ook daar het evenwicht. De grote toename aan voedingsstoffen (met name stikstof en fosfaat) doet algen overmatig groeien, waardoor er zuurstofarme waters ontstaan en de biodiversiteit afneemt. Dit proces heet eutrofiëring en doet het leven in rivieren en zelfs zeeën sterk achteruit gaan. Kunstmest vermijden is dus een milieuvriendelijke beslissing.

Kringlopen worden gesloten

Ook dierlijke mest kan het grondwater verontreinigen: te veel van het goede doet immers meer kwaad dan goed. In Vlaanderen heerst al jaren een grote mestproblematiek. Die dwingt de overheid om, mestactieplan na mestactieplan, voorwaarden op te leggen aan alle boeren. Je zou er bijna van vergeten dat slim toegepaste dierlijke mest een waardevol product is dat de bodem verrijkt.

De biosector erkent de kracht, maar ook het risico van dierlijke mest: mest bevat stikstof en dat is schadelijk in een te grote hoeveelheid. In tegenstelling tot de gangbare veehouder mag een biologisch veehouder daarom nooit meer dieren houden dan de grond aan kan: dat noemen we een grondgebonden veeteelt. De wetgever bepaalt voor elke diersoort hoeveel dieren per hectare grond toegelaten zijn in bio zodat de grens van 170 kg stikstof per hectare niet overschreden wordt. Zo kan een biologische veeteler garanderen dat de mest van zijn dieren geen milieuproblemen veroorzaakt. Anders gezegd: de biosector kiest voor het sluiten van de kringloop, waarbij afval opnieuw grondstof wordt.

Wil een biologisch veehouder meer dieren maar heeft hij zelf niet voldoende grond, dan moet hij op zoek naar een collega-bioboer (een akkerbouwer of tuinder) die zijn mest kan gebruiken als bodemverbeteraar. De groei van de veestapel is in bio dus altijd gecontroleerd en in evenwicht met de draagkracht van de grond.

Een gesloten kringloop zorgt trouwens voor nog een milieuwinst. Ook de ammoniakuitstoot van dieren is schadelijk voor het milieu. Door het aantal dieren te beperken, beperkt de biosector automatisch ook de ammoniakuitstoot.

Meer biodiversiteit, meer variatie

Een bioboer waakt niet alleen over het leven in de bodem. Hij is ook begaan met de bovengrondse biodiversiteit, in zowel fauna als flora. Hij heeft daar immers enorm veel belang bij. Veel voedingsgewassen hebben insectenbestuivers nodig om product te kunnen leveren. Dat geldt voor fruit als appels, kersen, aardbeien en bessen, maar ook voor groenten als courgette, tomaat en tuinboon.

Daarom zorgt een bioboer voor bloemrijke akkerranden en kruidenstroken om insecten aan te trekken. Uit onderzoek (Tuck, 2014) blijkt dat biobedrijven zo'n 30% biodiverser zijn. Deze grotere biodiversiteit blijkt al 30 jaar uit verschillende studies. Studies hebben doorgaans betrekking op ontwikkelde landen.

De biosector pleit ook voor een grote agrobiodiversiteit: diversiteit dus in rassen voor de gewassen die de boer teelt en de dieren die de veehouder fokt. Dat is meteen ook een vorm van preventie qua milieu-impact. Door vandaag in te zetten op een grote diversiteit aan rassen en zaden, blijft een grote diversiteit aan eigenschappen bewaard die ons morgen of in een verre toekomst kunnen helpen om een bepaalde plaag of ziekte het hoofd te bieden.

Overigens zal de bioboer bij het kiezen van zaden en plantgoed de voorkeur geven aan robuuste rassen die aangepast zijn aan de omgeving en aan de biologische productiewijze: gewassen die minder input vergen, een goed wortelgestel hebben, van nature resistent zijn, enzovoort.

Hij zal ook een meerjarige vruchtwisseling toepassen. Dat betekent dat eenzelfde gewas pas na drie, vier of vijf jaar opnieuw op hetzelfde perceel geteeld wordt. Zo kunnen ziektes minder goed overleven. Door variatie in te bouwen, creëert de boer op een natuurlijke manier een veerkrachtig geheel.

Akkerrand © Kobe Van Looveren

Biologische bestrijding

Een andere samenwerking tussen bioboer en natuur vind je in het gebruik van natuurlijke vijanden, ook wel ‘biologische bestrijding’ genoemd. Het is een milieuvriendelijke methode om ongewenste plagen onder controle te krijgen.

Insecten die schadelijk zijn voor de teelt, hebben steeds één of meer natuurlijke vijanden. Een evenwichtig natuurlijk systeem met een grote biodiversiteit, kan dus plaagvorming helpen voorkomen. Een fruitteler zal bijvoorbeeld lieveheersbeestjes en oorwormen uitzetten in de boomgaard, omdat ze verzot zijn op ongewenste luizen. Of in de serre zal de bioboer sluipwespen loslaten die haar eitjes legt in de larven van de schadelijke witte vlieg.

Ook grotere dieren als vogels en vleermuizen kunnen de boer helpen om schadelijke insectenplagen te onderdrukken. Door het ophangen van vogelkastjes en hoge zitstokken, zorgt de boer ervoor dat er voldoende nuttige roofdieren in het landbouwecosysteem aanwezig zijn.

Zeer weinig bestrijdingsmiddelen

Nu begrijp je ook waarom chemische bestrijdingsmiddelen niet thuishoren in de biologische landbouw. Ze brengen immers schade toe aan nuttige dieren en insecten en zetten de biodiversiteit onder druk, zowel in de bodem als bovengronds. Bovendien verontreinigen ze de lucht, de bodem en het grondwater.

Om onkruid te bestrijden zal de bioboer via verschillende maatregelen het gebruik van pesticiden vermijden: gewasrotatie, het goed kiezen van het tijdstip van zaaien, extra schoffelen en wieden, wegbranden van jonge onkruidplantjes... Het klopt dat de biologische landbouw op dit punt meer arbeid vergt dan haar klassieke tegenhanger. Maar innovatie maakt veel mogelijk: vaak worden bijzondere machines ontworpen om zo op een technisch innovatieve manier onkruid te verwijderen. Verder doet de biologische landbouw beroep op een schat aan kennis en ervaring om haar principes te realiseren.

Betekent dat dat een bioboer nooit bestrijdingsmiddelen gebruikt? Nee, dat is ook niet waar. Een bioboer mag een beperkt aantal natuurlijke middelen gebruiken wanneer hij merkt dat andere technieken zoals teeltrotatie, een gezonde bodem en het inzetten van natuurlijke vijanden niet voldoende zijn om een ziekte of plaag te onderdrukken. De controleorganisatie kijkt erop toe dat hij zich strikt houdt aan de voorwaarden en hoeveelheden. Het is goed om weten dat alle middelen die de bioboer mag gebruiken, ook toegelaten zijn voor de gangbare boer. Wat verboden is in gangbaar, is zeker verboden in bio.

Meer troeven voor het klimaat

De laatste jaren is de aandacht van de burger verschoven van milieu naar klimaat. Daardoor staat vlees in een slecht daglicht en blijven andere schadelijke praktijken onder de radar. Desalniettemin kan bio ook mooie papieren voorleggen als het om klimaat gaat. Sowieso is de veestapel uit principe (!) kleiner in bio en helpt bio zo de klimaatopwarming te temperen. Daarnaast is bio beter in staat om koolstof vast te houden in de bodem en dus CO2 in de lucht te beperken.

Hoe dat precies zit, lees je in de FAQ Is biolandbouw beter voor het klimaat?

Wetenschap bevestigt: kleinere impact op milieu

Bovenstaande principes en werkmethodes blijken effectief resultaat op te leveren. Twee grote recente metastudies (Mondelaers 2009 & Tuomisto 2012) bevestigen dat de biologische landbouw beter scoort op milieu-impact. Uit beide studies blijkt dat biologische bodems gemiddeld een hogere hoeveelheid organisch materiaal bevatten (en dus een betere kwaliteit hebben) en dat bio een positieve impact heeft op de agrobiodiversiteit (diversiteit in landbouwrassen en -soorten) en op de natuurlijke biodiversiteit. Wat betreft de impact van nitraat- en fosfaat en de uitstoot van broeikasgassen blijkt dat bio beter scoort per oppervlakte-eenheid. Biologische systemen hebben ook minder energie nodig.

Uit bovenstaand onderzoek blijkt ook dat bio nog uitdagingen heeft. Met name wat betreft het risico op eutrofiëring en verzuring is het belangrijk dat de biologische landbouw goed omgaat met nitraat en fosfaat.

* * *

Lees verder


Bronnen:

  • MONDELAERS, A meta‐analysis of the differences in environmental impacts between organic and conventional farming, British Food Journal, 2009
  • TUCK, Land-use intensity and the effects of organic farming on biodiversity: a hierarchical meta-analysis, Journal of Applied Ecology, 2014
  • TUOMISTO, Does organic farming reduce environmental impacts? A meta-analysis of European research. Journal of Environmental Management, 2012