Waarom is biolandbouw goed voor het milieu?

De biologische landbouw wil zo milieuvriendelijk mogelijk werken. Daarom dragen bioboeren goed zorg voor de bodem, bewaken ze de biodiversiteit op en rond hun akkers en gebruiken ze enkel natuurlijke bestrijdingsmiddelen. Kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen zijn niet toegelaten.

Landbouw heeft een grote impact op het milieu. De biosector probeert die impact zo klein mogelijk te houden en met respect voor de natuur aan landbouw te doen.

Het belangrijkste wat een bioboer moet doen, is met de natuur mee denken en gebruik maken van de kracht van het ecosysteem en de biodiversiteit op en rond zijn boerderij.

Bio Mijn Natuur Humus Bodemleven © Lisa Develtere op biobedrijf Humus

Bodemleven

Een onzichtbare maar erg belangrijke partner voor de bioboer is het bodemleven. In een kubieke meter aarde bevinden zich triljoenen beestjes, samen goed voor zo’n 1,5 kg leven per vierkante meter akker. Wormen, luizen, spinnen, springstaarten, bacteriën en schimmels… Deze diertjes breken plantenresten af, maken er humus van en verspreiden deze vruchtbaar-makende substantie doorheen de bodem. Humus houdt water en voedingsstoffen vast, waardoor gewassen beter kunnen groeien.

Deze samenwerking tussen bioboer en bodembiodiversiteit staat centraal in de biologische landbouw. Om het bodemleven in stand te houden voedt de bioboer de bodem met organisch materiaal zoals dierlijke mest of compost.

Bio heeft meer grond nodig om hoge opbrengsten te halen. Dat is toch niet goed voor het milieu?!

De gangbare landbouw dankt zijn hoge opbrengsten vooral aan kunstmeststoffen. De productie daarvan kost niet alleen heel wat energie, ze zijn op basis van eindige, fossiele brandstoffen. Dat is een grote belasting voor het milieu. Biolandbouw haalt hoge opbrengsten zonder dat het milieu daar slachtoffer van wordt. Staar je trouwens niet blind op hoge opbrengsten. Ook hoe we omgaan met voedsel is belangrijk: 30 tot 40 procent van het geproduceerde voedsel wordt vandaag weggegooid.

Kunstmest

Kunstmest is niet toegelaten: dat voedt het bodemleven niet, maar destabiliseert het.

Kunstmest is sowieso geen milieuvriendelijk product, want het wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Bovendien kost de productie erg veel energie. Daarnaast komt het teveel aan kunstmest terecht in onze waterlopen en verstoort het ook daar het evenwicht.

De grote toename aan voedingsstoffen (met name stikstof en fosfaat) doet de algen overmatig groeien, waardoor er zuurstofarme waters ontstaan en de biodiversiteit afneemt. Dit proces heet eutrofiëring en doet het leven in rivieren en zelfs zeeën sterk achteruit gaan. Kunstmest vermijden is dus een milieuvriendelijke beslissing.

Kringlopen

Ook dierlijke mest kan het grondwater verontreinigen: te veel van het goede doet immers meer kwaad dan goed. In Vlaanderen heerst al jaren een grote mestproblematiek. Die dwingt de overheid om, mestactieplan na mestactieplan, voorwaarden op te leggen aan alle boeren. Je zou er bijna van vergeten dat slim toegepaste dierlijke mest een waardevol product is dat de bodem verrijkt.

De biosector erkent de kracht, maar ook het risico van dierlijke mest. In tegenstelling tot de gangbare veehouder mag een biologisch veehouder nooit meer dieren houden dan zijn grond aan kan: dat noemen we een grondgebonden veeteelt. De wetgever bepaalt voor elke diersoort hoeveel dieren per hectare grond toegelaten zijn in bio. Zo kan een biologische veeteler garanderen dat de mest van zijn dieren geen milieuproblemen veroorzaakt.

Een bioboer kiest voor het sluiten van de kringloop, waarbij afval terug grondstof wordt.

Heeft een bioboer zelf niet voldoende grond, dan moet hij op zoek naar een collega-bioboer die zijn mest kan gebruiken als bodemverbeteraar. De biosector kiest met andere woorden voor het sluiten van de kringloop, een milieuvriendelijk principe waarbij zogenaamd afval terug grondstof wordt.

Deze gesloten kringloop zorgt trouwens voor nog extra milieuwinsten. Ook de ammoniakuitstoot van dieren is schadelijk voor het milieu. Door niet meer dieren te houden dan de grond aankan, beperk je ook die ammoniakuitstoot.

Bijen © KVL/Creative Nature op bioboerderij Lombarts-Calville

Biodiversiteit

Een bioboer waakt ook over de bovengrondse biodiversiteit, in zowel fauna als flora. Hij heeft daar enorm veel belang bij. Veel voedingsgewassen hebben insecten-bestuivers nodig om product te kunnen leveren. Dat geldt voor fruit als appels, kersen, aardbeien en bessen, maar ook voor groenten als courgette, tomaat en tuinboon.

Daarom zorgt een bioboer voor bloemrijke akkerranden en kruidenstroken om insecten aan te trekken. Uit onderzoek blijkt dat biobedrijven 34 procent biodiverser zijn.

Biologische bestrijding

Een andere samenwerking tussen bioboer en natuur vind je in het gebruik van natuurlijke vijanden, ook wel ‘biologische bestrijding’ genoemd. Het is een milieuvriendelijke methode om ongewenste plagen onder controle te krijgen.

Insecten die schadelijk zijn voor de teelt, hebben steeds één of meer natuurlijke vijanden. Een evenwichtig natuurlijk systeem met een grote biodiversiteit, kan dus plaagvorming helpen voorkomen.

Een fruitteler zal bijvoorbeeld lieveheersbeestjes en oorwormen uitzetten in de boomgaard, omdat ze verzot zijn op ongewenste luizen. Of in de serre zal de bioboer sluipwespen loslaten die haar eitjes legt in de larven van de schadelijke witte vlieg. Ook grotere dieren als vogels en vleermuizen kunnen de boer helpen om schadelijke insectenplagen te onderdrukken.

Bestrijdingsmiddelen

Nu begrijp je ook waarom chemische bestrijdingsmiddelen niet thuishoren in de biologische landbouw. Ze brengen ook schade toe aan nuttige dieren en insecten en zetten de biodiversiteit onder druk. Bovendien verontreinigen ze de lucht, de bodem en het grondwater.

Betekent dat dat een bioboer nooit bestrijdingsmiddelen gebruikt? Nee, dat is ook niet waar. Een bioboer mag een beperkt aantal natuurlijke middelen gebruiken wanneer hij merkt dat andere technieken zoals teeltrotatie, een gezonde bodem en het inzetten van natuurlijke vijanden niet voldoende zijn om een ziekte of plaag te onderdrukken.

De controleorganisatie kijkt erop toe dat hij zich strikt houdt aan de voorwaarden en hoeveelheden.

Tot slot helpt de biolandbouw en de grondgebonden biologische veeteelt ook de klimaatopwarming te temperen, door koolstof vast te houden in de bodem en het aantal dieren per hectare te beperken. Hoe dat precies zit, lees je in de FAQ: Hoe helpt bio tegen de klimaatopwarming?